Molen Kyck over den Dyck, Dordrecht

Geschiedenis

'Van outs genamt'

Na de Sint Elisabethsvloed in 1421 lag Dordrecht rondom in het water. Door aanslibben groeide langzaam maar zeker het eiland buiten de stad. In 1603 werd de Noordendijk aangelegd als onderdeel van een eerste inpoldering. Op deze dijk werden enkele molens gebouwd. Ongeveer op de plaats waar nu de Kyck over den Dyck staat werd in 1612 een houten standerdmolen gebouwd om mout te malen voor locale bierbrouwerijen. Het is deze houten molen waarnaar de gevelsteen in de huidige molen verwijst met de tekst 'van outs genamt'. Die molen waaide om, dat gebeurde wel vaker in die tijd. In 1713 bouwden twee eigenaren, Mels Adriaensz van der Schep en Leendert Willemsz Kivit, zwagers, op dezelfde plek de ronde stenen stellingmolen die er nu nog staat. Omdat het malen van mout niet genoeg opbracht werd in 1740 begonnen met het malen van koren. Gedurende vele generaties bleef de molen in het bezit van de families (van der) Schep en (de) Kievit.

Windhoos

Terwijl hij met volle zeilen draaide werd de molen in 1871 getroffen door een windhoos. De twee roeden en de as braken af en verbrijzelden een deel van de stelling. Gelukkig raakte niemand gewond, maar de schade was aanzienlijk. In 1902 kocht Jacobus Mouthaan de molen, hij installeerde in 1906 een gasmotor, en in 1932 een electromotor als aandrijving.

Vermoedelijk door het, in 1899, dempen van de Houthaven langs de Noordendijk zakte de molen scheef, met als gevolg dat het op de wind zetten lastiger werd. Ook bedrijfseconomisch werd de toestand steeds slechter. Mouthaan wilde geld voor onderhoud verkrijgen door wieken en as te verkopen. Dankzij stadsarchivaris Van Dalen werd de molen op de monumentenlijst van de gemeente gezet. Een restauratie volgde. Toch verkocht Mouthaan de molen in 1943, en de nieuwe eigenaar verhuurde die aan J. Schuurman. Na de oorlog bleek het malen op windkracht nauwelijks rendabel, het was dag en nacht werken en nauwelijks brood op de plank. In 1952 werd de molen aan de gemeente Dordrecht verkocht. Opnieuw volgde een restauratie, slecht uitgevoerd. De gemeente verplichtte molenaar Schuurman om de wieken ééns per week te laten draaien. Toen deze niet aan die verplichting kon voldoen dreigde de gemeente de huur te verdubbelen. Een rechtszaak volgde en in 1966 werd Schuurman gedwongen de molen te verlaten. Dat was het pijnlijke einde van zijn bedrijvigheid in de Kyck over den Dyck. In de jaren zeventig werd de molen bewoond door een kunstenaarsechtpaar, de begane grond werd gebruikt als atelier, pottenbakkerij en galerie. Af en toe draaiden de wieken, dankzij vrijwillig molenaars Arie Brand en Ton Mortier, maar van een normaal bedrijf was geen sprake meer. Op de kapzolder nestelden zich vele generaties duiven, en volgens de laatste bewoonster Tony Riekwel kon je 'als het stil was de boktorren horen paren'.

Restauratie

Het is te danken aan ir. A.F. van Oord-Wiessing, directeur Binnenstad van het Gemeentelijk Woningbedrijf, dat de Kyck over den Dyck werd gerestaureerd. Zij overtuigde wethouder Verbakel van Monumentenzorg, en startte in 1994 met toestemming van de Gemeenteraad een projectgroep. In 1997 werd de Stichting Molen Kyck over den Dyck opgericht, die de molen voor 1 gulden kocht van de gemeente, met een zak geld erbij en de verplichting tot maalvaardige restauratie. Die werd van 1999 tot 2001 uitgevoerd. De molen werd gefundeerd op 40 heipalen, rechtop gezet en deels van een nieuw interieur voorzien, zonder woonfunctie. Het gaande werk werd gerenoveerd door de Restauratiewerkplaats Schiedam. Een aanvullende restauratie vond plaats in 2012. Sinds 2001 is de molen weer volledig operationeel met twee koppels stenen plus een uit Duitsland afkomstige electrisch aangedreven maalstoel inclusief zeef. Naast de vijf gediplomeerde molenaars zijn er een dertigtal vrijwilligers actief.


Met dank aan drs. C.J.P. Grol en J. Zondervan-van Heck, auteurs van het Jaarboek 2008 'Draaiende wieken, stappende paarden' van de Historische Vereniging Oud-Dordrecht over molens op het Eiland van Dordrecht.

Ook dank aan Gert van Engelen, voor zijn boek 'De reus op de dijk' uit 2001.